
Pandhuiswet 1910
Artikel 33
1
In geval van onbevoegdheid van de pandgever is artikel 238 lid 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, indien de bank te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht is gebracht.
2
Indien de bank op dat tijdstip niet te goeder trouw is of indien de zaak door diefstal is verloren, wordt de zaak, mits deze nog in de macht van de bank is, aan de eigenaar teruggegeven tegen betaling van de beleensom en van hetgeen ter zake van de belening is verschuldigd.
3
Een zaak, die voor de aanneming tot pand met duidelijke omschrijving als door diefstal verloren bij de bank is aangegeven, wordt aan de eigenaar onvergolden teruggegeven, indien de afgifte binnen zes maanden na de aangifte wordt gevraagd en het pand nog in de macht van de bank is.
4
Is het pand reeds verkocht op het tijdstip van de aanvraag, en is hetgeen de verkoopsom meer bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, nog niet aan den houder van het pandbewijs uitgekeerd, dan geschiedt de uitkeering aan den eigenaar.
5
De houder van de bank kan borgstelling vorderen.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.